Nieuw op PopcornCulture: gastblogs. De komende tijd gaan we het reguliere aanbod aanvullen met artikelen van verschillende gastbloggers. Andere onderwerpen, andere stijlen: we houden het fris! Wil je ook een gastblog voor PopcornCulture schrijven? Mail dan naar email hidden; JavaScript is required. De aftrap wordt vandaag gedaan door Sander Zwiep. Sander mag zichzelf musicoloog noemen, na een studie notenlezen en Bach luisteren. In het dagelijks leven werkt hij bij de Wereldomroep, doet redactiewerk bij Luister en speelt piano op bruiloften en partijen. Een ongezouten mening over de hedendaagse popmuziek krijgt u er gratis bij.
We schrijven 1998. Ondergetekende, toen 10 jaar oud, mocht ‘s avonds voor het slapen gaan graag een stukje muziek luisteren. Mijn krakkemikkige hifi-voorziening bestond uit een pover Supertech-radiootje van de koopjesplank van Expert. Maar wat zou het, ik was tien en de koning te rijk met Sky Radio non-stop uit de speakertjes. De avond die mijn musicologische wereld danig beroerde, was die waarop ik voor het eerst kennismaakte met Believe van Cher. Zomaar tussen Total Touch (Love me in Slowmotion) en het journaal met Arend Langenberg in werd ik geconfronteerd met de buitenaardse sound van Cher’s stem. Ik – nog onbekend met de Amerikaanse oma-zangeres – begreep er geen bal van. Hoorde ik een puberjongen? Een man op xtc? Een vliegtuigmotor? Stond de cd-speler bij Sky niet goed?
Niets van dat alles. Het was de coming-out van autotune. Een stukje software dat aan de haal gaat met de opgenomen zang en die vervolgens loepstrak ‘zuiver’ kan maken. Zingen voor dummies. Pluk iemand uit de wachtrij bij de Lidl, laat diegene het Wilhelmus injanken, ‘gooi’ autotune over de opgenomen zang en – voilà: Lee Towers, eat your heart out. Niet echt doen hoor Lee, zou zonde zijn. Enfin, luister Believe en overduidelijk hoor je de computerversie van Cher’s stem. Geen mensenstemband kan dergelijke stappen maken. Het is té zuiver, te ‘recht’. Ik mag nu dan wel met Cher’s gedateerde voorbeeld gezwaaid hebben, maar de autotune-realiteit van vandaag is veel schrijnender.
Los van alles Ke$ha’s en Kanye’s, die overduidelijk met de stemsoftware hebben zitten spelen, lijkt autotune tegenwoordig als basisingrediënt door de gemiddelde pop/rock-producer over de vocalen van uw favoriete artiesten heen te worden gegooid. Wég authentiek stemgeluid. Wég Springsteense en Eddie Vedderiaanse uithalen en halve ‘blue notes’. De menselijkheid wordt uit de zangpartij gehaald. Producers mogen dit vaak goedpraten met argumenten als ‘dan ligt het net wat lekkerder in de mix’ en ‘als je commercieel wil produceren, hoort autotune er echt bij’. Oh ja, vergeet ook ‘luister even naar zijn leadzang, hij moet echt stoppen met roken. Ik gooi er autotune overheen’ niet.
Ik mag als azijnurinist en advocaat van de duivel overkomen, maar graag nuanceer ik de zaken toch even. Ook ik heb me schuldig gemaakt aan het toepassen van autotune. Zelfs met graagte. De angst voor de naakte, imperfecte stem haalt me over om de digitale stempoets te gebruiken. Maar toch knaagt er iets. Laatst luisterde ik in een manische bui door een paar jaren ’90 Top 100′s. Ik vroeg me, na integraal doorshuffelen van 1992 tot en met 1996 af, wat er nou onbewust zo anders klonk. Ik kwam uit bij de vocalen. Graag verwijs ik naar ye olde floorfiller Show me Love van Robin S. (waar staat die S. voor?). Let vooral op de enthousiast grommende en schreeuwende zang van mevrouw S. Bij vlagen ronduit vals, maar wat zou het! De plaat knalt. De plaat voelt voor mij -komtiedan!- authentiek! Authenticiteit is een eikenhouten knuppel die ik zomaar even in het musicologische hoenderhok gooi. Scripties zijn er over volgeschreven. Dat terzijde. Ik blijf in ieder geval terugverlangen naar de tijd van Robin S. Een beetje vals, maar wel lekker!
Af en toe wordt onze redactie aangevuld met een leuke gastblogger. Zij bloggen dan het liefst over nét iets anders dan waar wij het normaal over hebben. Wil je ook een gastblog voor PopcornCulture schrijven, mail dan naar email hidden; JavaScript is required